|
|
Geschiedenis
Van boerderij tot buitenplaats
Vollenhoven heeft oorspronkelijk behoord tot het Benedictijnerklooster Oostbroek in De Bilt. In de 16e eeuw wordt al een paar keer een stuk grond met de naam "Vollenhoven" genoemd, dat veel kleiner geweest moet zijn dan het tegenwoordige terrein met deze naam. Het is bekend dat het klooster Vollenhoven in de 16e eeuw verhuurde en dat er een boerderij heeft gestaan. Toen de kloosters na de hervorming in de noordelijke Nederlanden werden opgeheven, werd het beheer over Oostbroek door de Staten van Utrecht uitgevoerd. In de 17e eeuw verkochten de Staten veel landerijen van het voormalige klooster aan particulieren. Op die manier kwam Vollenhoven in de eerste helft van de 17e eeuw in bezit van Goderd van Reede van Nederhorst.
Goderd van Reede was een belangrijk man in Utrecht. Hij was bijvoorbeeld degene die voor de Staten van Utrecht afgevaardigd werd bij de vredesonderhandelingen te Munster, welk verdrag hij in 1648 ook namens het gewest Utrecht heeft ondertekend. Voor Goderd van Reede, die in kasteel Nederhorst aan de Vecht al een prachtige buitenplaats bezat, zal Vollenhoven een geldbelegging geweest zijn. Voor zover bekend is Vollenhoven in die jaren een boerderij gebleven.
Na de dood van Goderd werd "den uuthoff ende 't goedt Vollenhoven mette landerijen daaraan behorende" in 1651 verkocht aan een lid van het geslacht Uytenbogaert uit Utrecht. Door vererving ging het landgoed tot 1774 in verschillende handen over.
De omvang van het terrein dat "Vollenhoven" genoemd werd, was in 1774 veel groter dan het stukje grond dat in de 16e eeuw al deze naam droeg. Bij de verkoop in 1774 was Vollenhoven ook geen boerderij meer, het was inmiddels een volwassen buitenplaats geworden. De gegevens wijzen erop, dat die ontwikkeling in de eerste helft van de 18e eeuw al voltooid was.
|
|
Familie Van Tuyll
Vollenhoven kwam in 1774 in bezit van Willem René van Tuyll van Serooskerken, die gehuwd was met Johanna Fagel en die een broer was van Belle van Zuylen. In deze tijd was er sprake van een "Heere huysinghe annexe Boerewoninge, stallinge, koetshuis, Tuynmanswoninge en verdere getimmerte, mitsgaders nog een Boerewoninge met zijn Berg en schuur staande op 's eijnde van dit goed aan de Bildse vaart met zijn Plantagien, Tuijnen, bouw- en weylanden".
Een aanvulling daarop is te vinden in een brief van Johanna Fagel, geschreven kort na aankoop van het landgoed. In een levendige brief, gedateerd 29 maart 1774, schreef Johanna aan een vriendin dat zij en haar man als kinderen zo gelukkig waren met de aankoop: "C'est ma passion. Nous sommes foux et aisés comme des enfants, d'avoir cette jolie terre ..."
In dezelfde brief beschreef Johanna het huis en het terrein. Over het huis is zij vrij kort, maar uit haar beschrijving blijkt, dat het minstens twee verdiepingen had, met op de begane grond een eetkamer en een kinderkamer. Op de eerste verdieping bevonden zich, volgens Johanna, veel geschikte kleine kamers, waarvan er minstens drie bij aankoop heel gerieflijk waren. Kasten waren er genoeg, Johanna vond het huis dan ook "logeable". Voor eenzaamheid op een plaats die een half uur gaans van Zeist lag, was zij niet bang: de grote weg bood passage genoeg.
Daarnaast wordt in de brief een enthousiaste beschrijving van het landgoed gegeven: mooie, grote bomen naast het huis, een sparrenbomenlaan, een boomgaard, een visvijver, twee boerderijen en een klein bos. Achter het huis lag een tuin met een "gloriette de sapins": een prieeltje van sparren, dat schaduw bood en dat een alleraardigst plaatsje om te zitten zou zijn. Bovendien bood "ce charmant pays" de gelegenheid tot ronddwalen: men wandelt langs een klein paadje, gaat een lange laan in en komt dan bij een klein riviertje. Overal zijn schitterende uitzichten, in de sparrenbomenlaan zingen de nachtegalen. Vollenhoven, kortom, belichaamde voor Johanna een achttiende-eeuws natuurideaal: "C'est la belle nature, simple, riche et pure".
Johanna besloot haar verrukte beschrijving van Vollenhoven, waar zelfs de lucht beter zou zijn dan op andere buitenplaatsen, met "etcetera etcetera". Dat is jammer, want wij zouden graag meer weten over de situatie in 1774, maar uit de beschrijvingen wordt wel duidelijk, dat bij aankoop al sprake was van een buitenplaats, waarbij in het landschap was ingegrepen.
|
|
Porseleinmolen
In deze jaren moet er ook een molen op Vollenhoven gestaan hebben. Deze molen was verbonden aan de porseleinfabriek van de legendarische Loosdrechtse dominee Johannes de Mol, die in 1774 met de produktie van het bekende Loosdrechtse porselein begonnen was. Het is bekend dat Johannes de Mol in relatie stond met Willem - René van Tuyll, die sinds 1774 eigenaar van Vollenhoven was. In de molen op Vollenhoven, die omschreven wordt als een "pletmolen met stamperij", werden waarschijnlijk de kwartssteentjes, die voor het maken van porseleinaarde voor de fabriek in Loosdrecht nodig waren, gemalen. Het is niet bekend waar deze molen op Vollenhoven gestaan heeft, maar een ligging dicht bij de Biltse Grift aan het eind van het landgoed, als waterweg naar Utrecht en Loosdrecht, lijkt niet onwaarschijnlijk. Er is helaas bijzonder weinig bekend over de Vollenhovense molen, maar waarschijnlijk is de molen toch wel een aantal jaren in werking geweest.
|
Ontwerp nieuw huis
Er zijn geen afbeeldingen bewaard gebleven van het huis dat in de 18e eeuw op Vollenhoven gestaan heeft. Wel werd er in 1777 door de Franse architect De Malhortie een ontwerp gemaakt voor een nieuw te bouwen huis voor Willem-René van Tuyll op Vollenhoven. Op deze bouwtekeningen staat een groot huis in classicistische stijl met twee zijvleugels en een naar voren springende middenpartij. Het is echter niet waarschijnlijk dat dit ontwerp uitgevoerd is. Wel zijn er aanwijzingen dat het huis dat in die jaren op Vollenhoven stond, in de tijd van de Van Tuylls is verbouwd.
|
|
Familie Munter
In 1792 werd Vollenhoven gekocht door Gerard Munter, oudschepen van Amsterdam. In de verkoopacte wordt gesproken over "een door den Heere verkoper meest nieuw getimmerde Heere huizinge met annex stal en koetshuis, mitsgaders twee Boerenwooningen...". Deze formulering wijst op veranderingen aan het huis, maar over de aard ervan is niets bekend.
We beschikken over meer gegevens over het landgoed uit de tijd van Gerard Munter. Mietje van der Dussen bracht in de zomer van 1793 enige maanden bij de familie Munter door. Het verblijf van Mietje van der Dussen op Vollenhoven is door de schrijfster Lyte Engelberts verwerkt in het gelijknamige boek.
Familie De Smeth
In 1800 werd Vollenhoven door Gerard Munter verkocht aan Pieter de Smeth van Alphen, wiens vader Beerschoten bezat, een buiten dichtbij Vollenhoven. Pieter de Smeth kan beschouwd worden als de grondlegger van het tegenwoordige landgoed. Hij liet het huidige huis Vollenhoven bouwen, evenals de meeste bijgebouwen, als de oranjerie, het koetshuis en de ijskelder. De architect en het exacte bouwjaar van het grote huis zijn vooralsnog onbekend, maar uit de veilingomschrijving uit 1810 is op te maken, dat het tussen 1800 en 1810 gebouwd of verbouwd is.
Tegelijkertijd liet De Smeth een nieuw park ontwerpen, waarin de nieuwe gebouwen op natuurlijke wijze opgenomen werden. De tuinarchitect was Hendrik van Lunteren, die het park in de Engelse landschapsstijl heeft aangelegd.
De Smeth breidde het landgoed door ruiling en aankoop regelmatig uit. De belangrijkste aankoop betrof de hofstede Den Eijck in 1806. Ook het terrein van Den Eijck maakte tot in de 17e eeuw deel uit van de landerijen van het klooster Oostbroek. Het is bekend dat er in de 17e eeuw al een boerderij stond, die de naam "Den Eijck" droeg. De Smeth liet de boerderij verbouwen en als "ferme ornée" in het landschap opnemen. Dit gedeelte van het landgoed, dat tegenover Vollenhoven aan de andere zijde van de Utrechtseweg ligt, fungeert sindsdien als overplaats. In 1802 had De Smeth het naast Den Eijck gelegen Beerschoten van zijn moeder geërfd, zodat hij over een zeer groot gebied beschikte.
In 1810, na de dood van De Smeth, werd Vollenhoven in de veilingaankondiging beschreven als een "kapitale en in den eersten smaak nieuw gebouwde Huizinge waarbij een grote moestuin, Engelse partijen en vissekommen, een ijskelder en koetshuis, een tuinmanswoning, oranjerie en een schuitenhuis".
|
|
"De wereld begint bij De Bilt"
Bij de openbare veiling, op 12 mei 1810, werd Jan Willem van Loon eigenaar van Vollenhoven. In de maanden voorafgaand aan de veiling was het landgoed te bezichtigen. Een van degenen die van de gelegenheid gebruik maakten, was Lodewijk Napoleon met zijn gezin. De koning maakte graag rondtoertjes in de omgeving, in zijn afkeer van de stad Utrecht de mening huldigend dat "La terre commence au Bilt".
Familie Van der Capellen
Van Loon is slechts vijf jaar eigenaar van Vollenhoven geweest: in 1815 werd het landgoed verkocht aan Anthony Luden, die het in 1827 weer verkocht aan G.A.G.Ph. baron van der Capellen van Berkenwoude, voormalig gouverneur-generaal van Indië. Ten tijde van Van der Capellen heeft Vollenhoven zijn grootste omvang gekend. Van der Capellen deed veel grondaankopen rond Vollenhoven, bijvoorbeeld het terrein van De Clomp, ook wel het Klompje genoemd, een boerderij die naast de overplaats Den Eijck gelegen was.
Van der Capellen liet op Vollenhoven zijn voorliefde voor alles wat Oosters was tot uitdrukking komen. Het park liet hij aanmerkelijk vergroten; bovendien liet hij diverse uitheemse gewassen planten. Van der Capellen bezat een veel geprezen stoeterij en een uitgebreid rariteitenkabinet met opgezette dieren, schelpen, vlinders en souvenirs uit Indië, als kledingstukken en wapens van Javaanse volksstammen.
In 1848 raakte Van der Capellen tijdens de Februarirevolutie in Parijs aan het hoofd gewond, aan welke blessure hij zou overlijden. Na zijn dood werd Vollenhoven in negen stukken verdeeld en geveild. Landgoed Vollenhoven, de overplaats Den Eyck, een timmermanswoning, twee woningen bij de koepel en de hofstede De Hoek aan de Bisschopsweg werden voor een bedrag van fl 95.300 door J. Kluppel gekocht. Dat waren slechts drie van de negen onderdelen.
|

|
Familie Kluppel
Kluppel kwam in 1848 in bezit van Vollenhoven. Voor hem was Vollenhoven een echte buitenplaats, waar hij het grootste deel van het jaar doorbracht. Kluppel was een conscientieus eigenaar, die het landgoed met veel zorg beheerde. Dat blijkt uit zijn aantekeningen, die hij jarenlang bijgehouden heeft. Hij noteerde bijvoorbeeld de diverse werkzaamheden en de aanschaf van nieuwe bomen en planten. Ook weten we uit zijn aantekeningen, dat 1860 een rampjaar voor de bossen van Vollenhoven geweest moet zijn: bij twee hevige stormen in februari en mei zijn bijna duizend bomen omgewaaid.
|
|
Familie Van Marwijk Kooy
In 1922, na het overlijden van de schoondochter van Kluppel, werd Vollenhoven opnieuw geveild. De heer M. van Marwijk Kooy kocht in 1922 de hele buitenplaats, inclusief de Overplaats. Bij het huis werd een aantal veranderingen aangebracht. Er werd centrale verwarming aangelegd, de schuiframen werden vervangen door openslaande, ijzeren ramen. De achterkant, waar voorheen een kleine serre was aangebouwd, kreeg een imposante collonade. Aan de zuidwestkant van het huis ontwierp de firma Copijn een Engelse landschapstuin.
|
|
In 1966 werd een deel van de Overplaats verkocht, waarop de Zeister woonwijk "Vollenhove" werd gebouwd. De laatste verandering in de omvang van het landgoed heeft plaatsgevonden toen de snelweg A28 werd aangelegd, die het landgoed doorkruiste. De boerderij De Hoek, aan de Bisschopsweg, werd daardoor afgescheiden van de rest van het landgoed. Het Klompje is zelfs gesneuveld bij de aanleg van de nieuwe weg: de A28 loopt over de plaats waar het huis heeft gestaan. Verdere doorsnijdingen van het landgoed zullen hopelijk voorkomen kunnen worden nu Vollenhoven in 1997 beschermd monument is geworden.
|