| |
|
|
Tuinen en park
Buitenplaats
Een buitenplaats als Vollenhoven was voor de meeste vroegere bezitters een tweede huis. De winter werd in de stad doorgebracht; zodra het seizoen voorbij was, het weer het toeliet en de wegen begaanbaar waren, trok men in de lentemaanden "naar Buiten". Tuinen en park werden overeenkomstig de recreatieve functie van een buitenplaats naar de laatste mode ontworpen.
Veel is daarvan in Nederland helaas niet bewaard gebleven. Gebouwen van voormalige buitenplaatsen zijn meestal nog wel te vinden, maar de bijbehorende tuinen en parken zijn gewoonlijk verdwenen. Het komt maar zelden voor dat een buitenplaats met park in de oude staat is overgeleverd.
|
|
Vollenhoven vormt daarop een uitzondering. Het is een van de weinige buitenplaatsen in Nederland waar veel van de oorspronkelijke vorm bewaard is gebleven. Het landgoed is in het begin van de 19e eeuw in de Engelse landschapsstijl aangelegd; de belangrijkste gebouwen zijn gelijktijdig met het park ontworpen. Sindsdien is er weinig veranderd, waardoor Vollenhoven nog steeds de vroegere, 19e eeuwse eenheid van gebouwen en park laat zien.
|
Ontwikkeling tot buitenplaats
In de 16e eeuw, voor de Reformatie, was Vollenhoven een van de uithoven van klooster Oostbroek. In de 17e eeuw werd het terrein particulier bezit; er stond toen een boerderij. Het is bekend dat Vollenhoven in de eerste helft van de 18e eeuw waarschijnlijk al een buitenplaats was, maar over tuin- en parkaanleg uit die jaren is niets bekend. Er zijn echter wel dergelijke gegevens uit de tweede helft van de 18e eeuw bewaard gebleven.
|
Uit die tijd dateert namelijk een brief van Johanna Fagel, nieuwe eigenaresse van Vollenhoven. In deze brief wordt een beschrijving gegeven waaruit is op te maken dat de aanleg van Vollenhoven, dat dan de functie van een buitenplaats heeft, een formeel karakter droeg, maar dat er tevens enkele landschappelijke elementen aanwezig waren. Zo wordt geschreven over "un petit sentier", "une petite rivière" en een "longue allée". Ook noemt Johanna een tuin en een prieeltje.
|
|
Het park
Tussen 1800 en 1920 werden er langs de weg van Utrecht naar Rhenen vele buitens gebouwd. Deze reeks buitens kreeg later de naam "De Stichtse Lustwarande".
|
Nog meer dan de gebouwen bepalen de tuinen en landschapsparken het beeld van de Stichtse Lustwarande. In de 19e eeuw kreeg een aantal vooraanstaande tuinarchitecten de opdracht om op de buitens van de Stichtse Lustwarande parken en tuinen aan te leggen. De bekendste Nederlandse tuinarchitecten uit die tijd waren Jan David Zocher, Hendrik van Lunteren, Hendrik Copijn en Leonard Springer.
|
|
Hendrik van Lunteren (1780 - 1848), die onder andere ook de tuinen van het huis te Brakel en van Sandwijck in De Bilt ontworpen heeft, kreeg opdracht de tuinen van Vollenhoven in te richten in de Engelse landschapsstijl. Deze stijl was vanaf het midden van de 18e eeuw door Lancelot "Capability" Brown in Engeland tot een ware kunst verheven. In de visie van Brown liepen park en open land op natuurlijke wijze in elkaar over en slingerden lanen en paden in vloeiende lijnen om het huis, waardoor de wandelaar voortdurend voor ruimtelijke verrassingen kwam te staan. De vijver kende een vorm met gebogen, zachte lijnen en glooiend aflopende oevers, waardoor de natuurlijke loop van een rivier werd gesuggereerd. Browns meesterwerk was wel het landschapspark van Blenheim Palace bij Cambridge.
In deze stijl liet Pieter de Smeth rond 1800 het park van Vollenhoven, waar voordien waarschijnlijk een tuin in formele stijl was te vinden, aanleggen.
Van Lunteren kweet zich van zijn taak door een park met niveauverschillen, slingerende waterpartijen, vijvers, doorzichten en glooiende gazons te ontwerpen, waarbij hij, eveneens als zijn grote Engelse voorganger, gebruik maakte van de natuurlijke elementen die al aanwezig waren: de "capabilities" van het landschap, waaraan Brown zijn bijnaam dankte. Op Vollenhoven was dat bijvoorbeeld een bron, die Van Lunteren in de waterpartijen heeft verwerkt.
|
De kenmerkende elementen van de Engelse landschapsstijl zijn in het park van Vollenhoven goed te herkennen: de vloeiende overgangen tussen bossen en open delen, de vorm van de vijvers, de geweldige ruimtelijke werking en de verrassende doorkijkjes bij het volgen van de slingerende paden, die bovendien door hun richtingsveranderingen voor een desoriënterend effect zorgen, waardoor het geheel nog groter lijkt.
|
|
In de zogenaamde "Zocherkam", de verhoging langs de achtervijver, is de invloed van een andere collega van Van Lunteren, de bekende tuinarchitect Jan David Zocher, terug te vinden. Van Lunteren had een iets rijkere aanleg met bloem- en heestervakken dan Zocher, waardoor er vaak een wat complexer lanenstelsel aanwezig was.
|
Het open park terzijde van het huis wordt de "Bloemberg" genoemd. De Bloemberg wordt geflankeerd door met slingerpaden doorsneden bospartijen, waterpartijen en door gazons en weilanden die van variatie zijn voorzien door ze met heestergroepen, boomgroepen en solitairen te beplanten.
De open Bloemberg, het bosgebied met de achtervijver en de Overplaats met boerderij "Den Eijck" laten elk een ander natuurtype zien, met het huis als ruimtelijk middelpunt. De drie zichtassen vanuit het huis tonen elk een van de drie gebieden: aan de voorzijde op de Overplaats, met het boerenleven, aan de achterzijde op de vijver en de stad Utrecht en aan de zijkant op de Bloemberg.
Op die manier is Van Lunteren er in geslaagd drie verschillende terreintypen naast elkaar te gebruiken en tegelijkertijd, door het huis als centraal punt te gebruiken, de drie gebieden met elkaar te verbinden en daardoor eenheid in het landgoed te creëren.
|
|
De moestuin
De moestuin is tegen het eind van de 18e eeuw aangelegd. De trapeziumvormige tuin heeft een oppervlak van anderhalf hectare en wordt ommuurd door de oorspronkelijke, rode bakstenen muren, met steunberen aan de buitenzijde. In de veilingcatalogus uit 1810, na de dood van Pieter de Smedt, wordt de tuin omschreven als: "groote moestuin, waarin diverse persike en Druivenkassen, mitsgaders gemetselde broeikas, Persikke bakken en kribben (...)". Deze oude kassen en kweekbakken zijn nog steeds aanwezig.
|
|
De oorspronkelijke doelstelling van de moestuin om de bewoners van groenten, vruchten en bloemen te voorzien, is nog steeds van kracht. De tuin, die biologisch wordt bewerkt, is voor de helft beplant als historische moestuin, met veel verschillende ouderwetse soorten groenten, fruit, kruiden en bloemen.
De andere helft herbergt een grote en zeer exclusieve collectie delphiniums die deel uitmaken van een veredelingsprogramma. In totaal staan er circa 5000 moederplanten en kruisingen in de moestuin. In juni, wanneer de delphiniums bloeien, levert dat een blauwe zee van bloemen op.
|
|
De moestuin is tijdens de Tuindagen in juni te bezichtigen. Bovendien wordt elk jaar tegen het eind van de zomer de Moestuindag gehouden, een dag waarop de moestuin voor bezoekers is opengesteld.
|
De Engelse tuin
In 1922 kreeg de Biltse tuinarchitect Henri Copijn van de heer Van Marwijk Kooy, de nieuwe eigenaar van Vollenhoven, opdracht ten westen van het huis een rotstuin aan te leggen. Deze tuin is later door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg omschreven als een "typologisch belangrijk en gaaf bewaard en zeldzaam Nederlands voorbeeld van een privé-recreatiepark in een formele omlijsting van borders, terrassen en rotspartijen, uit de jaren 20 van de 20e eeuw".
|
|
De Engelse tuin dankt zijn naam aan het land van herkomst van de inspirator: de bekende Engelse tuinarchitecte Gertrude Jekyll (1843 - 1932), naar wier ideeën over een "wall garden with mixed borders" de tuin is ontworpen.
De tuin bestaat uit een verdiepte binnentuin in een rechthoekige opbouw met nissen. De binnentuin is toegankelijk via paden en trappen in flagstones en is omgeven door prachtig op kleur ingeplante borders.
Indertijd lag haaks daarachter een wederom verdiept gelegen grasveld, waarop enkele jaren later een tennisbaan is aangelegd. Achter de baan is een verhoogd terras met overkapping zichtbaar tegen de stenen buitenmuur van de tuin.
|
|